(Kern van) Cambuur

Het Wapen van Cambuur

Een verhaal dat Clint ooit schreef over de relatie tussen het Wapen van SC Cambuur en de familie Van Cammingha.

Op 3 september 2003 is in de Verenigde Staten van Amerika de laatste mannelijke nazaat van de Van Cammingha's overleden: Jonkheer Vitus Valerius van Cammingha (1922-2003).

Daar hij geen  kinderen heeft nagelaten is hiermee het geslacht Van Cammingha (bijna) uitgestorven. Op dit moment zijn er nog twee vrouwelijke nazaten: Jonkvrouw Louisa Julia van Cammingha (geboren: 14 november 1920) en Jonkvrouw Christina Maria Catharina van Cammingha (geboren: 11 september 1935). Voornoemde 3 nazaten zijn de kinderen van de in 1985 overleden Jonkheer Ruurd Carel van Cammingha (1892-1985). Deze was het die in 1964, bij de oprichting van Cambuur, toestemming gaf om het schild uit het familiewapen van de Van Cammingha's te mogen gebruiken.

Cambuur heeft dus in Nederland iets unieks want als enig betaald voetbalorganisatie draagt de club een familiewapen als 'handelsmerk'.

Een familiewapen heeft iets geheimzinnigs. Het ademt een stukje geschiedenis uit. Het is iets om trots op te zijn, omdat dit wapen toch al honderden jaren oud is en de familienaam Van Cammingha zelf al bijna 1000 jaar bestaat.

De naam Cambuur, en daarbij ook de namen Cambuursterpad, Camminghaburen, Camminghastraat komen voort uit de geslachtsnaam Van Cammingha, een in de Middelleeuwen zeer machtige familie in Leeuwarden.

De Cammingha's zouden in rechte lijn afstammen van Hayo, die een zoon was van Friso, de in het jaar 313 voor Christus uit India in Friesland aangekomen stamvader van de Friezen.

De door Tacitus (klassieke schrijver) genoemde Friese gezant Malorix zou een Cammingha zijn geweest en voor zijn familie van de heidense Friese koning het voorrecht hebben gekregen christen te zijn, nadat hij zich ten tijde van Nero in Rome in het geheim had laten dopen.

Latere Cammingha's zouden in 834 de eerste begunstigers van de Sint Bonifatiusabdij in Dokkum zijn geweest en in 866 stichters van een klooster op Ameland, welk eiland ze al vóór het begin van de jaartelling zouden hebben verworven. Dit klooster werd in 1109 door Anna Cammingha naar Ferwerd verplaatst, uit angst voor de Noormannen.

In de 8ste, 9de en 10de eeuw zouden verschillende Cammingha's zijn getrouwd met dochters uit het van Friso en Redbad afstammende Friese Koningshuis.


Het Amelander geslacht Van Cammingha.

De eerstbekende Heer van Ameland was Rienck Donia. Het nageslacht daarvan nam de namen Donia van Jelmera aan. Op een gegeven moment neemt ene Hayo van Jelmera de naam Van Cammingha aan omdat hij trouwt met een weduwe Van Cammingha. Dit gebeurde in die tijd wel vaker dat de man de naam van de vrouw overnam als daarbij enig bezit kon worden verkregen.

Al de nazaten blijven de naam Van Cammingha houden.

De Cammingha's die op Ameland leefden zijn eigenlijk Eminga's, daar hun stamvader Wijtse van Eminga genaamd Van Cammingha sproot uit het huwelijk van Rienck Idses van Eminga (overleden 1513) met Sjoeck Van Cammingha (overleden 1515). Rienck Eminga brengt de titel Van Cammingha over op zijn enige zoon Wijtse Van Cammingha. Deze Wijtse Van Cammingha heeft het huis te Cambuur, even buiten het toenmalige Leeuwarden, en ook het Amelandhuis binnen Leeuwarden gebouwd.

Sindsdien heet het geslacht Van Cammingha.

De Cammingha's die Ameland regeerden deden dat vanaf 1430 tot 1681. Ze voerden een streng regime in die ruim 200 jaar om rebellie de kop in te drukken. Het lukte de eilandbewindvoerders zelfs om buiten de in 1568 uitgebroken 80-jarige geloofsoorlog te blijven. Tegenwoordig is het oosten van Ameland nog steeds katholiek en het westen gereformeerd.  Na de oorlog met Spanje, kwam de oorlog met Engeland. Watse Frans van Cammingha (regeerperiode 1641-1668) wist de neutraliteit te waarborgen voor Ameland en terwijl in heel Nederland oorlog gevoerd werd wist Ameland, zonder oorlog, in het midden van de 17e eeuw gouden jaren te bereiken. Het einde hiervan werd bereikt door de Franse Revolutie en aansluitend Napoleon. Op Ameland zijn nog steeds herinneringen aan de Cammingha's te vinden. Gebruiksvoorwerpen uit het slot, wat vroeger in Ballum stond en is afgebroken in 1828, zijn thans nog te bezichtigen in een vitrine van het raadhuis van Ameland wat op dezelfde plek staat waar vroeger het slot stond. Op de huidige begraafplaats bevond zich vroeger de slotkapel, die als dorpskerk dienst deed. In 1832 werd de kapel afgebroken en de huidige gereformeerde kerk opgericht, die opgesierd werd met de kansel uit de kapel van de Cammingha's. Deze kansel is de oudste van Nederland. Het graf van Wytse van Cammingha (regeerperiode 1638-1641) in Ballum laat nog iets van de macht zien die de Cammingha's vroeger op Ameland hadden: Een drie meter hoge ridderfiguur siert de laatste rustplaats van deze edelman, na 400 jaar nog steeds een imposante aanblik.

In 1681 stierf de laatste Cammingha en het eiland ging over in handen van de familie Thoe Schwartsenberg Hohenlandsberg die het in 1704 verkochten voor

f. 170.000,-- (€ 77.142,-- naar huidige currency) aan Johan Willem Friso, erfstadhouder van Friesland. Ameland was voor het eerst in de handen van de Oranjes.

 

Het Leeuwarder geslacht Van Cammingha.

De Cammingha’s waren de machtigste en het meest aanzienlijke geslacht van het middeleeuwse Leeuwarden.

Volgens 13de-eeuwse bronnen worden in Leeuwarden (Leovaerdia) drie adellijke families genoemd: Cammingha, Jelgera en Burmania (Daar kwamen nog de Minnema’s bij in de 15e eeuw). De Cammingha’s hadden hun huis op Camminghaburen of Cambuur; De Jelgera’s op Jelgeraburen of Jelgerhuis bij Achter de Hoven; De Burmania’s in een voorloper van het thans nog bestaande Burmaniahuis bij de Oldehove. Dit Burmaniahuis is heden ten dage ingebouwd in het postkantoor bij die Oldehove.

De Oldehove zou oorspronkelijk een heidense tempel zijn geweest die in de tijd van Karel de Grote in een kerk was veranderd. De familie Burmania woonde ernaast.

De Cammingha’s stammen al uit de tijd van de Noormannen. Ze hebben, volgens de geschriften, zelfs aan de kruistochten deelgenomen.

Vanaf 1245 vestigden de Cammingha's zich ook in Leeuwarden. Zij stichtten in dat jaar een klooster bij Nijehove.

De hegemonie van de Cammingha's, hun betrokkenheid bij het parochie- en kloosterwezen maakten het mogelijk de bescheiden positie van de Burmania's voor te stellen: de Cammingha's waren en bleven dominant. Omdat de Cammingha's en de Jelgera's gemengde huwelijken met elkaar hadden, hadden de Burmania's niet veel te vertellen in Leeuwarden.

De Cammingha’s bleven vanaf de 13de eeuw alsook in de latere middeleeuwen het aanzienlijkste geslacht van Leeuwarden.

In 1396 wilde de Hollandse graaf Albrecht van Beieren Friesland binnen vallen met behulp van Gerrit Cammingha. De stad keerde zich tegen de Cammingha's maar toen dit beleg voorbij was in 1401 waren de Cammingha's nog steeds de belangrijkste edellieden van Leeuwarden.

Op de samenvloeiing van de Ee en het Vliet stond het Amelandhuis in het stadsdeel Hoek aan de Voorstreek. Dit stadsdeel kwam pas na de periode 1426-1435 binnen de wallen van Leeuwarden te liggen. In de Middeleeuwen woonden de Van Cammingha's in het Amelandhuis. Van hieruit konden zij de in- en uitgaande goederen en verkeersstromen van de stad controleren. Het oude Middeleeuwse huis werd in de 17e eeuw aangepast aan moderne eisen. In 1869 werd het op afbraak verkocht. Op de fundamenten verrees een groot herenhuis, welk eerst een woonhuis en daarna ziekenhuis en verzorgingshuis werd. In de jaren 80 van de 20e eeuw werd het verlaten en na een brand afgebroken voor een appartementengebouw.

Tot in de 16de eeuw werd het gebied ten oosten van de Voorstreek als Camminghaburen aangeduid. Op dit land gaven de Van Cammingha's huissteden in erfpacht uit.

De Van Cammingha's hadden ook een kasteel “Camminghaburg” in Cambuur, welk kasteel in 1810 is afgebroken. Dit was het stamslot van de Van Cammingha's. In de 16e eeuw was het een versterkt huis met een eigen kapel en een poortgebouw met grachten en singels. In de 18e eeuw is het nog gebruikt als gevangenis en ammunitiebergplaats. Het huidige Cambuursterpad en een deel van de Camminghastraat ligt op het terrein van de "burg".

 

De Camminghaburg.

Rond en in de stad hadden de Van Cammingha’s een uitgebreid grondbezit. Ze waren de stichters van de Dominicanenklooster, waarvan nu de Grote Kerk nog rest.

Vanaf het einde van de 14de eeuw vinden we de Van Cammingha’s in verschillende rechterlijke functies in Leeuwarden en Leeuwarderadeel. Dat gold ook voor de kerk waar belangrijke functies werden bekleed. 

De Van Cammingha’s namen met hun deelname aan het stadsbestuur een belangrijke plaats in in de samenleving.  Economisch konden ze daarbij slechts gewin hebben en politiek was het hen daardoor mogelijk ook in de uit het platteland losgemaakte steden een bestuurlijke rol te spelen. In die tijd was het zo: had je geld en bezittingen, en dus een naam, dan kwam je eigenlijk overal ‘binnen’ door het aanzien wat je had. Het aanzien van de Van Cammingha’s is mede tot stand gekomen door juiste huwelijken. Ze waren zeer nauwkeurig in het sluiten van huwelijkscompromissen. De Van Cammingha’s waren katholiek en trouwden ook alleen met katholieken van het andere geslacht. Echter in 1788 hertrouwde Ruurd Carel van Cammingha, die op dat moment op Wiardastate woonde in Grouw, met een jonge protestantse weduwe. Zij kregen een aantal kinderen en die werden, na de dood van de vader, opgevoed in het geloof van de moeder. Alle nazaten waren voortaan protestants.

De Van Cammingha's speelden voor 1600 nog een zeer prominente rol in de provincie Friesland. Was Leeuwarden in 1559 nog aangewezen als bisschopsstad, deze status ging in 1580 verloren toen de hervorming definitief vaste voet had gekregen in de stad. Na de hervorming (reformatie) werden de Van Cammingha's steeds verder uit politiek en samenleving verwijderd. De protestantse hervormingsbewegingen trokken in een hoog tempo door Europa en de Rooms-Katholieke Kerk had in eerste instantie geen antwoord op de aanvallen van onder andere Maarten Luther en Johannes Calvijn. Hoewel de Kerk krachtig terugsloeg met de Contra-reformatie, is het haar nooit meer gelukt haar positie van voor de Reformatie te herwinnen.

In de 16de eeuw was aan de machtspositie van de Van Cammingha's een einde gekomen.

De Van Cammingha's bezaten veel sloten en kasteeltjes die echter zo goed als allemaal zijn afgebroken in de 19e eeuw. Zo hadden ze sloten op Ameland, in Stiens, Wirdum en Goutum. Het slot in Wirdum heette Oenemastate en het slot in Goutum Wiardastate. Dat was een groot adellijk huis met tuinen en boerderijen. Vele geslachten Van Cammingha's hebben hier gewoond. In 1881 werd Wiardastate verkocht en afgebroken. Met de afbraak van deze huizen verloor de familie de banden met de dorpen en met Friesland. 

De Van Cammingha's komen in het verhaal naar voren als de dominante hoofdstedelingenfamilie in en rond de stad. Bij vele ontwikkelingen waren zij nauw betrokken.

Pas in de late 15de eeuw vallen tegenstellingen tussen de stad en haar belangrijkste familie waar te nemen.

De relatie van de Van Cammingha's met kerken en kloosters en landschappelijke omstandigheden zoals de nabijheid van Camminghaburen en de stad, stimuleerden nog in de 16de eeuw de herinnering aan hun vroegere hegemonie en waren toen tevens aanleiding tot een omvangrijke mythevorming rond hun geschiedenis.

In die tijd hadden de meeste vooraanstaande families een familiewapen. De Burmania’s hadden een rode leeuw, de Van Cammingha’s een rood hert met 3 kammen wat bij iedereen wel bekend is.

In een brief van 7 juni 1964 geeft jonkheer Ruurd Carel van Cammingha toestemming  aan de BVO Cambuur om het schild uit het familiewapen te gebruiken.

Hij geeft de volgende omschrijving van het familiewapen: "In goud een liggend rood hert, de voorpoten uitgestrekt, vergezeld van drie zwarte kammen met twee rijen tanden, twee van boven en een van onderen. Gekroonde helm met goudroode dekkleeden. Helmteken: een uitkomend rood hert. Schildhouders: twee roodgetongde zilveren leeuwen. Het wapengeheel staande op een gouden arabesk".

Cambuur heeft dit originele schild uit het wapen dus in gebruik gekregen van de Van Cammingha's en heeft het een eigen 'tintje' gegeven zoals het er nu dus uitziet. Dit is gedaan door de Leeuwarder fotograaf Dick van der Heijde.

In een brief van 19 december 1969 vond de jonkheer de uitvoering bijzonder smaakvol en sierlijk.

De Kern van Cambuur heeft schriftelijke toestemming gekregen van Jonkvrouw Christina Maria Catharina van Cammingha om het originele familiewapen te mogen gebruiken.

Op 10 november 1985 is jonkheer Van Cammingha overleden te Wilhelminaoord. Uit zijn huwelijk met Louise Jacqueline van Swieten (17 juni 1919) zijn de drie bovengenoemde kinderen geboren, waar er nu dus nog 2 van leven.

Wie nog wat van de Van Cammingha’s wil zien moet vandaag de dag naar de ‘Bristol’ op de Voorstreek, waar een aantal wapenstenen zijn bewaard gebleven van het slot op Ameland waar de Van Cammingha's ook vele jaren bezittingen hebben gehad. In het in 1992 uitgekomen boek van Yme Kuiper, De Friese Adel, zegt Kuiper dat de oude Friese adel thans nog met 6 geslachten is vertegenwoordigd binnen de Nederlandse adel: Van Eysinga, Sirtema van Grovestins, Van Harinxma thoe Slooten, Van Heemstra, Van Sytzama en, op het punt van uitsterven, Van Cammingha. Door het overlijden van Jonkheer Vitus Valerius Van Cammingha is er een eind gekomen aan een stukje bijna 1000-jarige historie van de stad Liwwadden.

De Cammingha's hebben dus al meer dan 1000 jaar bestaan. Het wapen zal altijd blijven bestaan.

Tegenwoordig hangt het schitterende originele familiewapen van de Van Cammingha's in supportershome 'het Hertje'. 

Zo kunnen we dus wel stellen dat de voetbalclub Cambuur misschien nog maar 50 jaar bestaat, de naam Cambuur is ontsproten uit een stuk 1000-jarige historie.